Italië: Il Risorgimento; strijd voor vrijheid en eenheid

(1800 – 1900)
Terug naar index

 

Italië: Il Risorgimento; strijd voor vrijheid en eenheid

door Daan Diederiks

Het het “Risorgimento” wordt de periode in de Italiaanse geschiedenis (1820-1871) aangeduid die leidde tot de eenwording en onafhankelijkheid en die de basis legde voor het moderne Italië. Het resultaat van deze periode van opstanden was een onafhankelijk koninkrijk onder leiding van Victor Emanuel van Savoye, koning van Sardinië- Piëmonte.

Deze periode van opstand en verzet in Italië stond niet op zichzelf, maar was een onderdeel van een revolutionaire eeuw. De belangrijkste kracht van verandering was de industriële revolutie. De agrarisch en handels landen in Europa veranderden in de loop van de eeuw tot ware industrie naties. Dit ging gepaart met sociale veranderingen, die de basis vormen voor revolutionaire politieke veranderingen. De opkomende stedelijke burgers werden mondig en wilden zeggenschap in het bestuur.

Risorgimento als zij-toneel

Op het hoofd-toneel stonden Frankrijk en Duitsland. Vooral Bismarck zou met de eenwording van Duitsland en zijn overwinning op Napoleon III zijn stempel drukken in het Noord-Europese hartland. De eenwording van Italië speelde zich vanuit het gezichtspunt van de grote machten af op een zij-toneel. De veranderingsprocessen ten noorden en zuiden van de Alpen hebben elkaar zodanig beinvloed dat zij niet los van elkaar gezien kunnen worden.

De Europese context van de opstand

Na de definitieve val van Napoleon met zijn verlies bij Waterloo in 1815, hergroepeerden de nog bestaande monarchiën in Europa zich. De voornaamste monarchale machten waren Tsaristisch Rusland, het keizerrijk Oostenrijk en het koninkrijk Pruisen. Zij sloten in Wenen de `Heilige Alliantie´. Dit bondgenootschap werd gesloten om de vrede in Europa te bewaren door onderlinge bijstand te verlenen als de status quo bedreigd zou worden. Men was bang voor Franse agressie, zoals men dit ook voor Duitse zou zijn in de twintigste eeuw.

Initiatiefnemer van de `Heilige Alliantie´ was de Russische Tsaar Alexander I. Samen met de Oostenrijkse diplomaat vorst Klemens von Metternich deelde hij de afkeer van het opkomend nationalisme en de verspreiding van de Frans revolutionaire ideeën. Von Metternich zag hierin een groot gevaar voor het Habsburgse Oostenrijk. Het nationalisme zou Oostenrijk, met zijn vele nationaliteiten, immers uit elkaar doen spatten en de liberale staatsideeën zouden de monarchie ondergraven.

Deze ideeën leunden zwaar op het vestigen van (grond)rechten en het afschaffen van veelal feodaal gewoonterecht. Dit was tegen alles waar von Metternich voor stond. Hij was een reactionaire- conservatief, die niet geloofde dat rechten door wetgeving tot stand gebracht konden worden. Rechten, volgens Metternich, bestonden in de natuurlijke orde der dingen.

Om het opkomende liberalisme te voorkomen streefde de `Heilige Alliantie´ naar `de hoge waarheden die de heilige religie van onze zaligmaker onderwijst´. Wat zoveel wil zeggen dat gestreefd werd naar christelijke- legitimiteit en staatkunde. Dit betekende dat Rusland, Pruisen en Oostenrijk elkaar steunden om de monarchie, immers regerend bij gratie gods, in stand te houden. Bij gelegenheid merkte Tsaar Alexander op; “Republieken zijn niet in de mode.” Zelf had hij zich bekeerd tot een in die tijd in de mode zijnde mystieke christelijke beweging.

Het Congres systeem

Engeland sloot zich bij de drie aan. Samen vormden zij de `Grote Alliantie´. Het is dit verbond dat regelmatig congressen organiseerde om problemen te bespreken en op te lossen en vooral afspraken maaktte over het onderdrukken van onafhankelijkheids-opstanden, zoals die in Spanje en Napels in 1820.

Het congres systeem had een relatief kort leven, maar bepaalde wel de loop van de verhoudingen in Europa in de negentiende eeuw. De ontwikkelingen zijn in fasen op te splitsen.
De eerste is de restoratieve periode van 1815 tot 1848. De conservatieve krachten slaagden, erin met wisselend succes, in Europa de rust te bewaren en staatshervormingen tegen te gaan, totdat in 1848 de spanningen te hoog opliepen en in heel Europa revoluties uitbraken.

De tweede fase is het revolutiejaar 1848 en de directe nasleep.

FrankrijkDe Juni Revolutie 1848 - Schilderij van Eugène Delacroix

Het revolutiejaar begon met een opstand in Parijs. De liberale oppositie won aan kracht en maaktte kans de verkiezingen te winnen. De conservatieve minister Guizot verbood verkiezingsvergaderingen, waarop de februari opstand uitbrak. De koning en Guizot vluchtten hierna. De voorlopige regering had onder druk van de slechte sociaal-economische toestand van grote groepen armen, nationale werkplaatsen laten inrichten. Dit bleken echter revolutionaire broedplaatsen en werden daarom in juni door de nieuw verkozen regering weer opgeheven. De woede van het volk was gewekt. In juni kwam het in opstand. Minister van oorlog Cavaignac onderdruktte dit zeer bloedig (circa 10.000 doden en 12.000 arrestaties).
Cavaignac werd tot de nieuwe presidentsverkiezingen tijdelijk dictator. De verkiezingen verloor hij vervolgens van Lodewijk Napoleon, die zich een jaar later, in 1852, door het volk tot keizer liet kiezen.

Oostenrijk

Oostenrijk raaktte ook in het nauw. Metternich vluchtte hals over kop naar Engeland. In mei moest keizer Ferdinand Wenen zelfs verlaten. Hij vluchtte naar Innsbruck. Keizerlijke troepen moesten in oktober heftige strijd leveren om Wenen te heroveren. In juli riep de keizer de hulp in van de `Heilige Alliantie´om de opstand in Hongarije neer te slaan. De Tsaar viel met een leger van 120.000 man Hongarije binnen en herstelde de oude orde.

Binnenslands werd het bestuur rigide gecentraliseerd en streefde men naar het uitroeien van iedere vorm van constitutionalisme. Een criticus uit die tijd zei eens dat het Oostenrijkse bestuur bestond uit: “een staand leger soldaten, een zittend leger van bureaucraten, een knielend leger van priesters en een kruipend leger van informanten.”

Duitsland

Ook in Duitsland was er verandering op til. De verstedelijkte gegoede burgers en handwerkslieden volgden het Franse voorbeeld. Zij gingen massaal in demonstratie de straat op. Men hield redevoeringen, petities en verklaringen werden opgesteld en barricaden beklommen. Men riep om politieke rechten en persvrijheid, vrijheid van vergadering en algemeen kiesrecht, een parlement en ministerieële verantwoordelijkheid.

In Frankfurt kwam het parlement bijeen om hervormingen te bespreken. Het zou op niets uitlopen omdat er teveel problemen tegelijk opgelost moesten worden, de verdeeldheid tussen de vele partijen te groot was en het de machtsmiddelen ontbrak om eenheid te smeden.
De conservatieve reactie die opgang kwam leidde tot veel gesneuvelden, vervolgden en vluchtelingen naar Amerika. Pas na 1858, na het aantreden van koning Wilhelm I van Pruisen, zou een nieuw tijdperk aanbreken.

Nadat alle liberale revoluties vrijwel vruchteloos waren gebleken, was voor velen duidelijk dat alleen idealisme onvoldoende was. De verliezaars bezonnen zich op twee manieren. De radicalen waren er eens te meer van overtuigd dat democratisering zonder een oplosing van het sociale vraagstuk niet mogelijk was. De gematigden daarentegen realiseerden zich dat met een realistische benadering van de zittende machten, meer te bereiken zou zijn geweest.

Toch erkenden sommige regerende vorsten, onder invloed van de revolutionaire onwikkelingen elders in Europa, dat beheerste veranderingen te verkiezen waren boven de onrust van eindeloze onderdrukking. Er werden in enkele, voornamelijk kleine staten, hervormingen doorgevoerd, die de grondslag zouden vormen voor hun moderne democratische systemen. Zo stelde koning Willem II in Nederland een staatscommissie in onder leiding van Thorbecke om de grondwet te herzien.

Het sluitstuk van deze fase is de overwinning van Bismarck in de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871. Met zijn overwinning wist Bismarck alle Duitse staten achter zich te krijgen. Na de inname van Parijs kon in het slot van Versaille het Duitse Keizerrijk uitgeroepen worden.

Vanaf 1871 tot 1914 rivaliseerden de Europese staten steeds intenser. De rivaliteit uitte zich in diplomatieke hergroepering, herbewapening en de race om koloniën. Uiteindelijk liep het vast in de loopgraven van de “Grande Guerre” in Noord-Frankrijk.

Het verloop van Il Risorgimento

Het Begin

Ook in Italië keerde na de val van Napoleon in 1815 de oude orde weer terug. De nieuwe of teruggekeerde soevereinen in de Italiaanse staatjes, waarvan vele vazalstaten van Oostenrijk, gingen over tot onderdrukking van liberale ideeën. Zij streefden naar restauratie van oude aristocratische verhoudingen. Alle Franse instituties, door Napoleon ingesteld, werden afgeschaft.

De Franse ideeën bleven echter voortleven en kanaliseerden zich in het liberalisme. Het bindende ideaal werd het verdrijven van alle niet-Italiaanse heersers en de vorming van een moderne nationale Italiaanse staat.

Deze stroming liet zich niet meer onderdrukken. Er braken in 1820 en 1821 op Sicilië en in Napels opstanden uit onder leiding van de Carbonari, geheime onafhankelijkheids verenigingen. In 1830 brak er zelfs, onder invloed van de juli-revolutie in Parijs, opstand uit in Rome. Steeds kon alleen met de hulp van Oostenrijk de oude orde hersteld worden.

Een belangrijke rol speelde ook de beweging Giovane Italia (Jong Italië) van Giuseppe Mazzini (1805-1872). Mazzini was een nationaal revolutionair, een propagandist en profeet. Hij zweepte zijn landgenoten op uit hun apathie en creerde een nationale ideologie. “Een natie is de alomvattendheid van burgers die dezelfde taal spreken,” verklaarde Mazzini. Zijn streven was om in heel Europa nationale en democratische grondwetten te vestigen, met het taalprincipe als uitgangspunt. Hiertoe richtte hij in 1834 een internationale tak op van zijn “jonge Italianen”, de “Jonge Europeanen”.

Het revolutiejaar 1848 in Italië

Het revolutiejaar 1848 werd uiteindelijk een ramp voor de opstandelingen. In Venetië en Rome werden aanvankelijk onafhankelijke republieken uitgeroepen. Sicilië en Napels keerden zich tegen Ferdinand II, hun Bourbon koning. Hij werd gedwongen een liberale grondwet in te stellen. Een paar maanden later echter, liet hij de liberalen in Napels uitmoorden en het parlement ontbinden.

Koning Karel-Albert van Sardinië kondigde een liberale grondwet af, die uitdrukkelijk als blauwdruk moest dienen voor een onafhankelijk Italië. Ook riep Karel-Albert een heilige oorlog tegen Oostenrijk uit. Na de zware nederlaag bij Custoza, trok hij zich terugtrok naar Milaan, waar hij door de bevolking werd verjaagd. Het enige dat erop zat was een voorlopige vrede met Oostenrijk.

Mazzini wist intussen de macht in de kerkelijke staat te grijpen, die hij nu uitriep tot het “ideële centrum van de natie.” Paus Pius IX vluchtte naar het eilandje Gaëta, vlak voor de kust, nabij Napels, en riep de hulp in van Oostenrijk, Frankrijk en Napels.

Vrijheidsstrijder Garibaldi wist, met een vrijwilligersleger, aanvankelijk de Franse troepen van Lodewijk Napoleon tegen te houden. Maar zijn positie werd onhoudbaar toen de Fransen Rome belegerden. In juli 1849 wist hij de belegering te doorbreken en kon hij vluchten.

In maart 1849 hervatte koning Karel-Albert de strijd tegen Oostenrijk, maar hij werd bij Novara verslagen, waarna hij de troon overdroeg aan zijn zoon Victor Emanuel II. Die, als een van zijn eerste regeringsdaden, vrede sloot met Oostenrijk.

Na de vlucht van Mazzini en Garibaldi uit de kerkelijke staat en de terugkeer van Paus Pius IX verliet deze, geschrokken door het radicalisme van Mazzini, al snel zijn liberale sympathiën.

Napels-Sicilië en Toscane sloten zich aanvankelijk na een volksstemming bij Sardinië aan. De opstanden werden er onderdrukt en zij maakten zich weer los. Ook de revoluties in Rome en Venetië werden weer teruggedraaid door heroveringen van de Oostenrijkse veldmaarschalk Radetzky.

Deze Radetzky was voor Oostenrijk degene die meedogenloos orde op zaken stelde. De al 82 jarige Radetzky bleef na zijn overwinningen tot 1857 Gouverneur-Generaal van de noord-Italiaanse bezittingen van Oostenrijk.

Eind augustus 1849 waren alle opstanden onderdrukt en alle liberale constituties weer opgeheven. Behalve die in Sardinië- Piëmonte, waar koning Victor Emanuel II, samen met zijn latere minister-president Cavour, de constitutionele-monarchie en het eenheidsstreven in stand hield.

Met Cavour naar eenheid

De term “Il Risorgimento” is te danken aan de krant met deze titel, mede opgericht door graaf Camillo di Cavour (1810-1861), premier van Sardinië-Piëmonte en de meest effectieve leider van de Italiaanse opstand.

Na de mislukte revoluties van 1848 realiseerde Cavour zich dat met het revolutionaire pad, het doel, een onafhankelijke Italiaanse eenheidsstaat, niet te bereiken was. Hij distantieerde zich van het radicalisme van Mazinni en Garibaldi. Cavour was een realistisch politicus. Hij was geen republikein zoals Garibaldi en ook geen theoreticus als Mazzini, maar hij werkte wel met hen samen waar dat mogelijk was, om een constitutionele monarchie tot stand te brengen in een verenigd Italië.

Cavour wilde van Sardinië-Piëmonte een liberale modelstaat maken. Een voorbeeld voor heel Italië. Hij moderniseerde het bestuur en de economie en perkte de macht van de katholieke kerk in.

Zijn buitenlandse politiek stond ook in het teken van het streven naar Italiaanse eenheid. Hij steunde de Engels- Franse coalitie tegen Rusland in de Krimoorlog (1854- 56). Met deze steun hoopte Cavour dat Frankrijk hem zou steunen in zijn strijd tegen Oostenrijk.

Lodewijk Napoleon III zag zichzelf als boodschapper van de moderniteit. Het nationaliteiten-principe beschouwde hij als het volgende stadium in de geschiedenis. Cavour vond daarom aanvankelijk veel gehoor voor zijn Italiaans nationalisme bij de Franse keizer.

Tijdens geheime onderhandelingen in Plombières spraken Napoleon en Cavour af dat de Fransen Sardinië-Piëmonte te hulp zouden komen bij een Oosenrijkse aanval en dat Oostenrijk dan uit Italië verdreven zouden worden. Hiervoor verlangde Napoleon wel dat Frankrijk Nice en Savoye in ruil mocht inlijven.

In april 1859 verleidde Cavour met een list Oostenrijk tot het verklaren van oorlog, waarna een Frans leger over de Alpen trok. Er voltrokken zich twee belangrijke veldslagen, Magenta en Solferino, die door de Fransen en Sardijnse troepen werden gewonnen.

Nu had Napoleon III zichzelf in een moeilijke situatie gemanouvreerd. De Pruisen mobiliseerden hun troepen langs de Rijn. Zij waren huiverig voor de Franse invloedsfeer in Italië. De Franse steun aan Sardinië wakkerde de roep om meer Duitse eenheid aan. De Nationalleberale Partei nam nadrukkelijk Cavour als voorbeeld. Zij zette zich af tegen Oostenrijk en wilde de Duitse eenheid onder leiding van Pruisen. Napoleon droeg met zijn politieke steun aan Cavour bij aan het proces dat uitmonde in de Duitse eenwording in 1871. Hij ging daarmee rechtstreeks in tegen de traditionele Franse politiek van Richelieu om de Duitse staten juist zoveel mogelijk te verdelen.

Kissinger

Henry Kissinger haalt dit gemanouvreer van Napoleon III in zijn boek Diplomacy aan als voorbeeld van een politiek van goede bedoelingen die totaal verkeerd kunnen uitpakken. Met verkeerd bedoeld hij dat de politiek van Napoleon III uiteindelijk niet de Franse belangen diende, maar tot gevolg had dat zij in drie oorlogen door Duitsland verslagen werd.

Frans verraad

Napoleon III sloot, na militaire overwinningen, een voor Cavour onverwachtte vrede met Oostenrijk. Lombardije werd aan Sardinië-Piëmonte toegekend, maar Venetië bleef bij Oostenrijk. Verder bood Napoleon de Italianen de gelegenheid om van de bestaande staten een federale unie te maken, met de Paus aan het hoofd.

Dit plan stond Cavour, noch andere Italianen aan. Cavour was zo verontwaardigd over het verraad van Napoleon III, dat hij aftrad als premier van Sardinië-Piëmonte. In januari 1860 trad hij echter weer aan om de onderhandelingen over de definitieve afstand van Nice en Savoye te hervatten.

In Italië ging de revolutie ondertussen voort. In Toscane, Modena en Parma werden de heersers verdreven. Na verkiezingen sloten zij zich aan bij Sardinië-Piëmonte.

Tocht der duizenden

Garibaldi ondernam zijn beroemde “tocht der duizenden”. Vanuit Genua vertrok hij per schip naar Marsala op Sicilië. Trok door Sicilië en Calabrië op richting Napels. Daarna dreigde hij naar Rome op te trekken en de kerkelijke staat te veroveren.

Cavour moest nu in actie komen. Hij steunde Garibaldi in zijn tocht door zuid-Italië, maar hij had in Plombières met Napoleon III afgesproken dat de kerkelijke staat onafhankelijk zou blijven onder de Paus. De succesvolle militaire campagne van de republikein Garibali gooide roet in het eten. Het Sardijnse leger trok op naar Napels, om Garibaldi daar tegen te houden. Met Napoleon III sprak Cavour af dat zijn troepen op hun tocht naar het zuiden de kerkelijke staat ongemoeid zouden laten, zodat een conflict met Frankrijk vermeden kon worden.

Garibaldi wist Napels met zijn `vrijscharen´ eerder te bereiken dan Victor Emanuel II. Hij verdreef de Bourbon koning Ferdinand II en vestigde zichzelf als dictator. Nadat de bevolking van het Koninkrijk der Beide Siciliën zich in een volksstemming had uitgesproken voor aansluiting bij Sardinië-Piëmonte, legde Garibaldi zich neer bij de suprematie van de koning. Om hun eensgezindheid te tonen, reden Victor Emanuel en Garibaldi samen in een open rijtuig in victorie door de straten van Napels, toegejuicht door de bevolking.

Proclamatie Koninkrijk

In maart 1861 kwam in Turijn een parlement met vertegenwoordigers uit heel Italië bijeen. Het parlement riep het Koninkrijk Italië uit, met Victor Emanuel II als koning, “bij gratie gods en de wil van de natie.”

Het koninkrijk omvatte heel Italië, behalve Venetië, dat nog bij Oosenrijk hoorde en de kerkelijke staat, waarvan de onafhankelijkheid door Frankrijk gegarandeerd werd. Tot 1870 bleven er Franse troepen gelegerd.

In 1866 werd Venetië bij Italië getrokken, als beloning voor de Italiaanse steun aan Pruisen tegen Oostenrijk in hun conflict om de dominantie in de Duitse staten en de vestiging van de Noord-Duitse bond, onder leiding van Pruisen.

Toen Napoleon III in 1870 zijn troepen uit de kerkelijke staat terugtrok, om in te zetten in de oorlog tegen het Pruisen van Bismarck, werd Rome alsnog triomfantelijk door het Koninkrijk Italië ingenomen en was de eenheid voltooid.

Het Risorgimento betekende het einde van de heerschappij van buitenlandse machten, die onderling eeuwen lang de dienst uit maakten op het Italiaanse schiereiland. De oude monarchiën van Habsburgers, Oostenrijkers en Bourbons waren verdwenen. De nieuwe machthebbers kregen te maken met een Italië dat op vele gebieden diep verdeeld was, sociaal, economisch en politiek.

Italië werd uiteindelijk tot een politieke eenheid gemaakt door het heilige vuur van Mazzini, de roekeloze dapperheid van Garibaldi en de berekenende politiek van Cavour.

Daan Diederiks

Bronnen

+ H. Brugmans en F. H. Fischer, Geschiedenis der Wereld,
+ N. Davies, Europe; A History, 1996
+ H. Kissinger, Diplomacy, 1994
+ R.R. Palmer, A History of the modern world, Eighth Edition 1995
+ K. Ploetz, Auszug aus der Geschichte, 1960
+ B. Russell, Freedom and Organization 1814-1914, 1934
+ Grote Winkeler Prins Encyclopedie, Achtste druk. 0 

No comments yet.

Leave a Reply