Nederlands buitenlandsbeleid: Vredesmissies

Voor de val van de Berlinse muur in 1989 stonden gewapende conflicten in de wereld in het teken van de Koude Oorlog tussen het westelijke kapitalistische blok onder leiding van de Verenigde Staten en het oostelijke communistische blok aangevoerd door de Sovjet Unie.

Voor de Verenigde Staten was bijvoorbeeld de strijd tussen Noord- en Zuid Vietnam in de jaren zestig een voortzetting van het Sovjet- Russische uitbreidingsstreven. Zou Zuid- Vietnam in handen van de communistische Noord- Vietnamezen vallen, dan zou mogelijk heel Azië in communistische handen komen. Dit staat beter bekend als de domino theorie. Zuid- Vietnam zou de eerste domino steen zijn, vandaar dat opeen volgende Amerikaanse regeringen in de zestiger en zeventiger jaren Zuid- Vietnam met hand en tand verdedigden.

Na de val van de muur veranderde het karakter en de ideologische context van geweldadige conflicten. Ideologie werd veelal vervangen door nationalisme of etnicisme.

Na de val van de Berlijnse muur in 1989 verdween de tegenstelling tussen twee grote rivaliserende blokken. De Verenigde Naties konden nu een prominente rol gaan vervullen bij vredeshandhaving. Althans, dat hoopte men.

Klassieke vredesoperaties

Tijdens de Koude Oorlog voerde men de zogenoemde “klassieke” vredesoperaties uit. Bij deze vredesoperaties stonden onpartijdige VN soldaten, de “blauw helmen”, tussen de partijen in. Zij hielden toezicht op de naleving van vredesakkoorden en wapenstilstanden.

Op Cyprus bijvoorbeeld, hielden blauwhelmen het Turkse deel en het Grieks cypriotische deel gescheiden. En in Zuid- Libanon verdroegen Nederlandse Unifil troepen lange tijd de raketgranaten die over hen heen werden afgevuurd door de Hezbollah naar dorpen in Noord- Israël.

Een van de meest succesvolle “klassieke” vredesoperaties, waar ook Nederland een belangrijke rol in speelde, was het toezicht houden op de bestandsgrenzen in het conflict tussen Ethiopië en Eritrea.

Failed States

In de loop van de jaren negentig werd steeds meer duidelijk dat “failed states” veel ellende veroorzaken. Falende staten zijn staten met weinig tot geen effectief staatsgezag. De regering van dergelijke staten is veelal in handen van bandieten, die meer aan zichzelf dan aan de bevolking denken. Het gebrek aan gezag leidt tot armoede, criminaliteit, extremistische bewegingen en kunnen, zoals in Afghanistan, de uitvalbasis worden van terroristische groeperingen.

De Internationale gemeenschap kan dergelijke wetteloze staten niet voort laten bestaan. Er ontstond daarom de noodzaak om in deze staten aan “nation building” te doen. De voornaamste taak daarbij is het opbouwen en ondersteunen van een nieuw effectief staatsgezag. Voorbeelden hiervan zijn Combodja en Oost- Timor.

Rampjaar

Het rampjaar 1994/95 markeert een ommekeer in de wijze waarop de Internationale gemeenschap naar gewapende conflicten kijkt.

Voor ieders ogen werden in Rwanda naar schatting een miljoen Tutsie’s en gematigde Hutu’s afgeslacht. In Bosnië- Herzegovina stierven zo’n zevenduizend burgers van Srebrenica na de inval van het Bosnisch-servische leger onder leiding van generaal Mladic.

Het louter toekijken van zomersgeklede blauwhelmen met lichte bewapening voldeed niet meer, zoals vooral de Nederlandse militairen in Srebrenica tot hun schande ervoeren.

Na deze calamiteiten volgde een intensief zelfonderzoek bij o.a. de Verenigde Naties en ook in Nederland. VN Secretaris- Generaal Koffi Anan kwam al vrij vlot met het “Srebrenica Report”. Ook de Nederlandse politiek herzag de manier waarop en de motieven waarom men aan vredesmissies wilde deelnemen.

Toetsingskader

Er kwam een “toetsingskader” aan de hand waarvan de regering en de kamer besluiten over deelname aan vredesmissies en de wijze waarop de kamer in het vervolg wordt ingelicht. De Tijdelijke Commissie Buitenlandse Uitzendingen (TCBU) evalueerde in 2000 het ‘Toetsingskader’. De voornaamste aanbeveling van deze commissie onder leiding van D66’er Bert Bakker waren dat de kamer bij iedere wijziging in de operatie geinformeerd diende te worden. bovendien moest er een helder moment van besluitvorming bij uitzendingen zijn. Deelname moet volgens deze commissie niet stapsgewijs tot stand komen. De kamer heeft dan geen overzicht. De regering heeft de aanbevelingen van de TCBU grotendeels overgenomen. Uitzendingen dienen nu in Haags jargon ook wel “Bakker-proof” te zijn.

Burgeroorlogen

De regering constateert in de “Vredesmissie” notitie van dit voorjaar dat de meeste conflicten van dit moment burgeroorlogen zijn.

Burgeroorlogen zijn altijd zeer ingewikkeld. Het is vrijwel nooit een oorlog waarin twee legers tegenover elkaar staan, zoals bij Ethiopië en Eritrea het geval was. De strijdende partijen zijn veelal machtige (semi)privé- milities die het de machthebbers heel moeilijk maken door guerilla achtige operaties.

Criminaliteit in vele gedaanten tiert in zo’n omgeving welig. De milities zijn vooral betrokken bij wapen- en drugs handel en de smokkel van kostbare natuurlijke grondstoffen als olie en diamanten.

De afwezigheid van effectieve staatsinstellingen leidt veelal tot humanitaire catastrofe’s als grote aantallen vluchtelingen, met als meest recente voorbeeld de Soedanese provincie Darfur, waar naar schatting een miljoen mensen dreigen om te komen.

Regionale verspreiding

Burgeroorlogen blijven vrijwel nooit tot een bepaald land beperkt. Het conflict verspreidt zich meestal over de hele regio.

Wapens worden aangevoerd, vluchtelingen worden afgevoerd en de smokkelroutes lopen daar weer doorheen. Buurlanden worden tegen wil en dank bij de burgeroorlog betrokken. En zo dreigt een binnenlands geweldadig conflict de politiek- economische stabiliteit in een hele regio te verruineren.

Om dit laatste te voorkomen wordt de noodzaak om van buiten in te grijpen alleen maar groter. Tegelijkertijd wordt het ook moeilijker voor de internationale gemeenschap om daadwerkelijk effectief de situatie te verbeteren.

Verschuiven beleid

Het paarse kabinet heeft bij monde van toenmalig ministers van Buitenlandse Zaken van Aartsen en Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking enkele notities gepresenteerd die deze problemen in een samenhangende beleidsvoorstellen gieten. Vlot achter elkaar verschenen er een notitie conflictpreventie (22 oktober 2001), mensenrechten (30 oktober 2001) en een notitie humanitaire interventie (30 oktober 2001).

Geïntegreerd buitenlands- en veiligheidsbeleid

Het kabinet Balkenende II verlegt het accent van het buitenlandsbeleid verder in de richting naar een geïntegreerd veiligheidsbeleid. Volgens de definitie van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), het belangrijkste adviesorgaan op het terrein van buitenlands beleid, is geïntegreerd veiligheidsbeleid:”veiligheidsbeleid dat de nauwe relatie onderkent tussen de verschillende fasen in een conflict (preconflict, conflict, postconflict) en de verschillende actoren die in dezen ‘fasen’ betrokken zijn bij het zoeken naar een vreedzame oplossing, met inzet van zowel militaire als civiele middelen.”

Belangrijk blijft de militaire inzet vooral in de conflict- en postconflict fasen. De instabiliteit veroorzakende milities of andere groeperingen moeten wellicht met geweld geneutraliseerd of verslagen worden.

Meestal gaat dit gepaard met grote misere voor de burgerbevolking. Burgers worden slachtoffer van geweld, verkrachting, armoede en verlies van zeggenschap in het bestuur. Daarom moet militaire daadkracht samengaan met de opbouw van de economie, de veiligheid op straat door het trainen van politieagenten en het opbouwen van een democratische staatsstructuur.

Om dit laatste te bewerkstelligen heeft het kabinet een “Stabilisatiefonds” ingesteld. Dit fonds heeft tot doel om snel en flexibel financiele ondersteuning te verlenen op het “snijvlak van vrede, veiligheid en ontwikkeling”, aldus de minister in de notitie.

Internationale samenwerking

Nederland neemt steeds in internationaal verband deel aan vredesmissies. Alleen zo kunnen bij ingewikkelde crisisbeheersingsoperaties voldoende voortzettingsvermogen gewaarborgd blijven.

“Voortzettingsvermogen” is het vermogen om in een conflict- en een postconflict langdurig troepen ter plekke op de been te houden.

Het voortzettingsvermogen is het best gewaarborgd bij internationale samenwerkingsverbanden zoals de Navo en in toenemende mate de EU.

Vooral als de crisis situatie geweldadig is, blijkt de VN niet in staat een leidende rol te spelen. De VN veiligheidsraad moet dan volgens de regering een mandaat verstrekken en de uitvoering aan anderen overlaten.

In september 2003 sloot de EU zelfs een akkoord met de VN om de samenwerking een permanente basis te geven. De VN werkt al samen met de EU in Bosíë- Herzegovina en de Democratische Republiek Kongo.

Nederland neemt het liefst deel aan operaties die een Veiligheids Raad mandaat hebben en die door de Navo of de EU uitgevoerd worden. Vooral omdat de regering binnen deze organisaties zelf maximale invloed kan uitoefenen.

Ondanks de verbeteringen na het Brahimi rapport, heeft Nederland bij VN operaties weinig zeggenschap. Volgens de regering moeten landen die troepen en geld leveren meer zeggenschap krijgen.

De ontwikkeling naar meer multinationale eenheden zoals de Nato Response Force (NRF) doet de vraag rijzen naar de nationale zeggenschap van regering en parlement. De regering heeft hierover advies gevraagt van de AIV.

Motieven voor Nederlandse deelname

Het belangrijkste motief voor Nederland om met vredesoperaties mee te doen is de “handhaving en bevordering van de internationale rechtsorde.” Dit motief staat zelfs expliciet in de Grondwet. Iedere Nederlandse regering is grondwettelijk verplicht dit motief steeds in het oog te houden.

Instabiliteit in bepaalde regio’s kan een motief vormen. Instabiliteit kan Nederlandse belangen schaden. Militair optreden kan dan volgens de regering gewenst zijn.

Aanwijzingen voor instabiliteit zijn bijvoorbeeld onbeheersbare migratie stromen en omvangrijke handel in wapens en drugs.

Volgens de regering is het besef doorgedrongen dat stabilitiet een essentiële voorwaarde is voor politieke, economische en sociale ontwikkeling.

Hieruit is te verklaren waarom de Nederlandse regering een voorkeur heeft voor operaties waar zij actief aan ontwikkelingssamenwerking doet. Het doel is dan om te voorkomen dat er “failed states” ontstaan. die zijn immers een bron voor instabilitiet en trekken terrorisme aan.

Omdat Nederlandse belangen zeer nauw verbonden zijn met een aantal internationale organisaties gaat de voorkeur van de regering in de notitie ervan uit om het in die organistaties uitgestippelde beleid te helpen uitvoeren. Het gaat hierbij dan om de Navo en de EU.

Nederlands ambitieniveau

In crisisbeheersingsoperaties wil de regering dat de krijgsmacht in staat moet zijn tot een “kwalitatief en technologisch hoogwaardige militaire bijdrage”.

Dit betekent dat Nederland in Navo en EU verband in het “gehele geweldsspectrum” mee moet kunnen doen.

Per jaar één operatie in het hogere geweldsspectrum en drie opereaties in het lagere geweldsspectrum.

Daan Diederiks

Bronnen

+ Toetsingskader 1995 Kamerstuk 29 521 nr.1

+ Zoek Kamerstukken bij Parlando 0 

No comments yet.

Leave a Reply